Geplaatst op: 25 juli 2019

Houtterminologie

Terminologie betekenis specifieke kennis en vak termen in hout

Een- en tweecomponentenlijm. Wanneer een verlijming tot stand komt door twee op elkaar reagerende componenten, is sprake van tweecomponentenlijm. Een voorbeeld hiervan is de zogenaamde PU-lijm (polyurethaanlijm). Hierbij komt doordat water (vocht in de lucht) reageert met de verbindingen (lijm). Het reageren wordt ook wel polymeriseren genoemd. Wanneer het lijmvlak van de lucht wordt afgesloten (te dikke lijm of geen luchtdoorlatende materialen) dan hardt de lijm niet uit. Het water (vocht in de lucht) kan dan niet meer bij de lijm komen. Om dit probleem op te lossen, worden de componenten van een tweecomponentenlijm soms afzonderlijk geleverd. Je hoeft dan geen gebruik te maken van het vocht dat in de lucht aanwezig is.

Afkomstgebied

Met afkomstgebied wordt het gebied bedoeld waar een boomsoort zijn oorsprong heeft. Dit is niet altijd het gebied waar de boomsoort op dit moment wordt gekweekt. Door herbeplanting is het groeigebied van veel soorten verspreid geraakt over verschillende werelddelen.

Bladders

Scheurvorming die zich uit in schilfers. Deze ontstaan op een zwakke plek in het hout, bijvoorbeeld bij door een splijtende jaarring of een scheur die parallel loopt aan het oppervlak. Bladders komen vaak voor bij dossegezaagde vloerdelen met losliggende jaarringen.

Blauwverkleuring

Eiken kan blauw tot bijna zwart verkleuren. Deze verkleuring wordt vaak veroorzaakt door contact met metaal dat reageert met het tannine uit het hout. Blauwverkleuring kan ook voorkomen bij robijn. In dat geval is de oorzaak een schimmel.

Blind vernagelen

Bij deze legmethode worden de nagels door de messing van de parketvloer genageld. Ze zijn dan uiteindelijk niet meer zichtbaar, wat heeft geleid tot de term ‘blind nagelen’.

Bolling/holling

Hout kan dusdanig werken dat het hout in het midden van de vloer over de lengte gezien krom naar boven trekt. De mate van bolling is te zien aan de afstand tussen de onderkant van de plank en de vloer wanneer beide uiteindes op een vlakke vloer liggen en de plank enkel zijn eigen gewicht te dragen heeft. Holling is het omgekeerde van bolling. Dit is te meten door het midden van de plank op een vlakke vloer te leggen en te kijken hoe ver de uiteindes boven de vloer uitsteken.

Borstelen

Bij deze afwerking wordt de vloer geborsteld, waardoor deze een iets ruwer oppervlak krijgt. Het voorjaarshout wordt bij deze afwerking deels uit de vloer geborsteld. Breedte van de messing de breedte van de messing wordt gemeten van het uiterste einde van de messing tot het begin van de plank aan de zichtzijde.

Breedteverschil

Het verschil in breedte tussen de vloerdelen dat uiteindelijk resulteert in kieren in een gelegde vloer.

Deklat

Een afwerklijst die plat op de vloer ligt, vaak rond deurkozijnen of op plaatsen waar plinten niet gewenst zijn.

Densiteit van de ondervloer

Densiteit is dichtheid uitgedrukt in gewicht per m3. Strikt genomen wordt met ‘ondervloer’ in dit geval de tussenvloer bedoeld. De vloer waarop deze gelegd wordt, is de officiële ondervloer. In de parketbranche is het echter gebruikelijk om de tussenvloer aan te duiden als ondervloer.

Een vloer met een lage densiteit heeft een groot egaliserend vermogen. Een vloer met een hoge densiteit heeft minder egaliserend vermogen. Het egaliserend vermogen is van belang als het parket zwevend wordt gelegd. Een hoge densiteit leidt echter tot een groter geluid reducerend vermogen.

Diepte van de groef

De diepte van de groef wordt gemeten vanaf het diepste punt van de groef in de plank tot aan het begin van de plank aan de zichtzijde.

Dikteverschil

Het dikteverschil is het verschil in de dikte tussen de verschillen planken. Het uit zich aan het oppervlakte van de vloer in hogere en lagere planken. Dikteverschil mag niet verward worden met hoogteverschil.

Dispersielijm

Deze lijm is een oplossing (dispersie) van kleine delen gelijkmatig verspreide deeltjes in een vloeistof. Door verdamping (weghalen) van de vloeistof blijven de vaste deeltjes over. Zij vormen tezamen de lijmlaag.

Dosse gezaagd

Het hout wordt evenwijdig aan de lengteas van de boom gezaagd. Bij bepaalde houtsoorten leidt dit tot een vlammenpatroon.

Droogstoofmethode

Het houtvochtgehalte (MC) is te benaderen als de hoeveelheid water die met behulp van een oven bij 103 graden Celsius gedurende een periode van 24 uur uit het hout kan worden verdampt, gerelateerd aan het drooggewicht van het hout. Het drooggewicht is het gewicht dat het hout heeft bereikt na deze 24 uur.

Bij dit vochtgehalte neemt het hout geen vocht op uit de omgeving en staat het ook geen vocht af aan de omgeving. Voor vloeren ligt dit percentage tussen de 8% en de 12% (afhankelijk van de omstandigheden waaronder de vloer geplaatst wordt en de houtsoort). De term EMC staat voor Equilibrium Moisture Content.

Fijn bezagen

Bij deze bewerking wordt de plank met een bandzaag gezaagd en niet geschaafd. Dit resulteert in een ruw oppervlak. De vloer krijgt hierdoor een oud uiterlijk, omdat alle vloeren op deze manier werden gemaakt, voordat schaven deze methode verving.

Groeigebreken

Wanneer de vezels in een stuk hout niet evenwijdig lopen aan de lengteas, is sprake van draadverloop. Wanneer de in de lengterichting liggende vezels spiraalsgewijs lopen, is sprake van draaigroei. Bij dicht bij elkaar liggende, onregelmatige vezels is sprake van een golvende draad.

Groeigebied

Het gebied waar een houtsoort groeit. De groeigebieden hebben klimatologische overeenkomsten. Veel boomsoorten zijn door herbeplanting in andere werelddelen terechtgekomen. De teakplantages zijn bijvoorbeeld wereldwijd te vinden, terwijl teak zijn oorsprong vindt in Azië.

Haaksheid van de vloerdelen

Wanneer een stuk hout aan het einde wordt afgekort, dient dit normaliter te gebeuren onder een haakse hoek op de lengterichting. De haaksheid is te meten door een winkelhaak op de kop van een plank te leggen. De eventuele ruimte tussen het einde van de winkelhaak (punt B) en de kop van de plank, gedeeld door de afstand van de hoek van de winkelhaak (punt A) tot het eind (punt B) is de haaksheid. Deze wordt vaak uitgedrukt in procenten.

Hardheid volgens Brinell

Bij de hardheidsmeting volgens Brinell wordt een kogel in het te testen materiaal gedrukt. Deze geharde stalen kogel heeft meestal een diameter van 10 mm en wordt met een kracht van 100 kg (1000 N) in het materiaal gedrukt. De grootte van de indruk is de brinellwaarde.

Hardheid volgens Janka

Bij de hardheidsmeting volgens Janka wordt een kogel in het te testen materiaal gedrukt. Deze geharde stalen kogel heeft een diameter van exact 11,824 mm en wordt tot de helft in het materiaal gedrukt. De benodigde kracht (in Newton) om de kogel tot de helft in het materiaal te drukken is de Jankawaarde.

Hartstrepen

De plaatsen waar de kern van de boom zichtbaar is aan de oppervlakte van de plank. Hier komen vaak scheuren voor, omdat het zogenaamde juveniele kernhout (in de eerste drie jaar van de boom gevormd) andere eigenschappen heeft dan het gewone kernhout. Dit resulteert in lange donkerkleurige strepen.

Hoogteverschillen

Het verschil in dikte tussen de vloerdelen. Dit resulteert in hoogteverschillen in de gelegde vloer. Bij hoogteverschillen liggen de messing en de groef niet correct tegenover elkaar. Hoogteverschillen mag niet worden verward met dikteverschil.

Ingegroeide bast

Wanneer bast of schors (gedeeltelijk) ingesloten zit in  het hout is sprake van ingegroeide bast. Meestal wordt dit veroorzaakt door beschadigingen aan de bomen die in de daaropvolgende jaren zijn overgroeid en ingesloten.

Kabelgoot

Een uitsparing aan de achterkant van een plint die ruimte geeft om kabels in een ruimte weg te werken.

Kalken

Bij deze bewerking krijgt de vloer een witte laag met behulp van een intern ontwikkelde methode.

Kantkwasten

Kantkwasten zitten aan de zijkant van de plank.

Kastijden

Een bewerking waarbij de vloer wordt verouderd door een specifieke methode of een combinatie van methodes.

 

Kleurverschillen

Natuurlijke verschillen in de kleur van de vloerdelen. Kleurverschillen kunnen optreden in één vloerdeel of tussen vloerdelen. Ze zijn een gevolg van natuurlijke kleurverschillen die reeds in de boom aanwezig zijn.

Kopmaat

De maten van de zogenaamde kop van een vloerdeel. De kop wordt gemeten zonder de messing en groef.

Kopscheur

Een scheur die begint aan het uiteinde (kop) van een plank en eindigt in de plank.

Kromming

Een werking van het hout waarbij het hout over de lengte, gezien op de uiteindes, kromtrekt naar boven.

Kwartiers gezaagd hout

Er wordt evenwijdig aan de lengteas van de boom gezaagd. Gezien vanuit de boomkern wordt met de wijzers van de klok mee gezaagd. Bij kwartiers gezaagd hout is de kans op vervorming minder groot dan bij dossegezaagd hout. De benaming ‘kwartiers’ wordt voornamelijk bij loofhout gebruikt. Bij naaldhout wordt deze zaagwijze ook wel rift genoemd.

Kwast

Het gedeelte van een tak dat met de stam is vergroeid. Kwasten komen voor in verschillende vormen en maten. Ze zijn onder te verdelen in vergroeide kwasten (minstens voor ¾ van de doorsnede vergroeid met het omringende hout) en losse kwasten (meer dan ¾ van de omtrek is door bast omgeven).

Latstrepen

Duidelijke aftekeningen van de drooglatten op de vloer. Ze zijn meestal ongeveer 2 cm breed en om de 50 cm zichtbaar. Met name eiken- en beukenhout zijn hier gevoelig voor. Latstrepen kunnen voorkomen als je de latten te lang laat zitten of als je niet-luchtdroge eiken latten (looistoffen) gebruikt. Bij luchtdroge vuren latten komen latstrepen normaliter niet voor.

Lijfscheur

Een lensvormige scheur die begint en eindigt in de plank. Lijfscheuren worden vaak veroorzaakt tijdens het drogen. Bij naaldhout kunnen ze ook veroorzaakt worden door harszakken. Deze plekken zijn gevuld met hars. Soms is dit hars nog aanwezig in de plank. Het kan er echter ook uit zijn en een lensvormige opening hebben achtergelaten.

Lucht drogende olie

Deze olie wordt gebruikt om een vloer af te werken. De olie droogt middels een natuurlijk proces (oxidatie). Let op: doeken vormen absorptie van lucht drogende olie een gevaar voor zelf ontbranding.

Maanringen

Dit verschijnsel komt onder meer voor in Amerikaanse eiken. Tijdens de groei van deze bomen kunnen zich spintringen vormen in het kernhout. Dit wordt ook wel ingegroeide spint genoemd.

Mechanische defecten

Alle defecten die te wijten zijn aan het productie proces, bijvoorbeeld ontbreken van een messing, sporen van machinerollen en de slechte hechting van de toplaag.

Moeraseiken

Een snelgroeiende eikensoort (Quercus cerris), uit zuidwest-Azië en Midden-Europa. De toepassingen van moeraseiken zijn beperkt door de slechte droogeigenschappen en de sterke krimp gedurende het drogen. Moeraseiken staat bekend om zijn risico op scheuren en splijten.

Oliën

De afwerking van een vloer door olie in te brengen. Deze behandeling dient enkele malen te geschieden alvorens de vloer verzadigd is.

Ondervloer

De correcte benaming is tussenvloer, aangezien het een vloer betreft die komt te liggen tussen de bestaande vloer en de parketvloer. In de parketbranche wordt echter altijd gesproken over een ondervloer. Het gebruik van een ondervloer is met name van belang om de bestaande vloer te egaliseren alvorens de houten vloer wordt geplaatst. Verder kan de ondervloer geluid reduceren en opkomend vocht tegengaan.

Pitkwasten

Kleine kwasten (tot 5 mm) die vaak helemaal zwart zijn en met name voorkomen bij eiken. De kwasten zijn afkomstig van twijgjes (dunne takjes) en ze zijn altijd geheel of gedeeltelijk vergroeid met het hout eromheen.

Plint

Een afwerklijst om de zwelruimte tussen de vloer en de muur te overbruggen. Een plint kan gebruikt worden om de spanveren weg te werken bij een zwevende vloer. Verder worden plinten vaak gebruikt om bekabeling achter weg te werken (zie ook kabelgoot).

PU-lijm

Zie ook een- en tweecomponentenlijm. Polyurethaanlijm (PU-lijm) is een lijm die is gebaseerd op de reactie van isocyanaat met alcohol. De lijmverbinding komt tot stand doordat water (vocht uit de lucht) reageert (polymeriseert) met de urethaanverbindingen uit de lijm. Als het lijm vak van de lucht wordt afgesloten (te dikke lijm of geen luchtdoorlatende materialen), dan hardt de lijm niet uit. Het water (vocht uit de lucht) kan dan niet meer bij de lijm komen. Om dit probleem op te lossen, wordt soms een uithardingsversneller (booster) toegevoegd of wordt gebruikgemaakt van een PU-lijm met twee componenten.

Reactiehout

Reactiehout wordt in een boom gevormd om invloeden als wind en zwaartekracht op te vangen. Naaldhout vormt zogenaamd drukhout en loofhout vormt trekhout. Dit is te zien in de dikteverschillen in de jaarringen (bij loofhout is het hout dikker aan de kant waar de wind vandaan komt of aan de bovenzijde van de tak, bij naaldhout is het dikker aan de kant waar de wind naartoe gaat of aan de onderzijde van de tak).

Dit zogenaamde reactiehout resulteert vaak in spanning in het hout. Deze wordt met name na het drogen merkbaar. Grote verschillen in de dikte van het vlammenpatroon kunnen wijzen op reactiehout.

Roken

Bij deze bewerking krijgt een vloer, doorgaans ervan Europees eiken, een donkerder uiterlijk door het hout gedurende een periode van 12 uur te roken volgens een intern ontwikkeld proces. Dit proces verschilt per fabrikant qua uren en de sterkte van de ammoniakoplossing die gebruikt wordt in de container waar gerookt worden. De meeste fabrikanten gebruiken 35 procent ammoniak. Wanneer het uiterlijk van de vloer nog donkerder dient te zijn, wordt dit proces herhaald. Er is sprake van dubbel gerookt eiken.

Schaafgebreken

Schaafgebreken in het eindproduct zijn te wijten aan niet goed schaven. Dit kan bijvoorbeeld leiden tot dikteverschillen die gepaard gaan met loodrechte strepen over de lengte van de plank. Schaafgebreken mogen niet worden verward met fijn bezagen. Bij deze afwerking worden vergelijkbare strepen gecreëerd.

Schaven

Bij deze houtbewerking wordt een stukje van het oppervlak weggehaald. Op deze manier kan ruw hout glad gemaakt worden. Dit wordt onder meer gedaan op een zogenaamde diktebank. Bij deze stationaire houtbewerking wordt hout machinaal zuiver op breedte en dikte geschaafd. Bij de productie van vloeren wordt ook gebruikgemaakt van frezen (ook een vorm van schaven) waarbij middels een machine met een snel ronddraaiend stuk gereedschap een vorm of profiel verspaand kan worden uit een stuk materiaal.

Schietkwasten

De kwasten aan de rand van een vloerdeel waarvan de ene zijde vier maal de grootte heeft van de andere zijde. In het geval van een tekening is de kwast aan de bovenkant dus minstens vier maal groter dan aan de zijkant.

Schoteling

Een werking van het hout waarbij het hout over de breedte gezien kromtrekt.

Schuren

Een bewerking van het hout waardoor een glad oppervlak iets opgeruwd kan worden of een ruw oppervlak juist iets verfijnd kan worden. Hierbij wordt gebruikgemaakt van schuurvellen die afhankelijk van de grootte van de korrel een licht ruw oppervlak (fijn korrel) of een zeer ruw oppervlak creëren (ruwe korrel). Schuren kan de hechting van bijvoorbeeld lak bevorderen, evenals het intrekken van olie.

Sorteernormering

Een voorbeeld van sorteernormering is het Franse Qf-systeem voor de beoordeling (gradering) van gezaagd eikenhout. Dit systeem is afkomstig uit de meubelindustrie, maar het wordt inmiddels ook veel gebruikt voor vloeren. Bij vloeren staat achter de sorteernorm vaak ‘X (00)’ om aan te geven dat de onderzijde meer gebreken mag vertonen dan de zichtzijde.

Spanningsgroef en spanveren

Metalen hulpmiddelen om zwevend gelegde vloeren op spanning te houden zonder dat de vrijdheid voor het hout om te werken in het geding komt. Er is onderscheid tussen de dubbele spanveer (die bestaat uit twee tegen elkaar gemonteerde delen) en de enkele spanveer. De enkele spanveer is in de regel stugger.

Speling op messing en groef

De ruimte tussen de messing en de groef bij een vloer, te meten op de uiteindes van de plank wanneer twee delen in elkaar gelegd worden.

Spiegels

Onregelmatige strepen of vlekjes die onder meer voorkomen bij kwartiers gezaagd eiken. Dit is het resultaat van zagen langs de stralen in het hout. Het is alleen te zien bij kwartiers- of gedeeltelijk kwartiers gezaagd eikenhout.

Spint

De buitenste groeiringen van het hout die levende cellen bevatten. In deze ringen vindt de sappenstroom plaats. Naarmate de boom groeit, wordt spint omgevormd tot kernhout. Bij naaldhout bestaan grofweg de drie buitenste ringen uit spint. Bij loofhout kan dit aantal aanzienlijk hoger zijn. Spint is meestal bleker dan het kernhout en niet altijd duidelijk te onderscheiden van het kernhout.

Spikkelvorming

Deze kleine zwarte puntjes zijn te zien op het oppervlak van sucupirahout. De puntjes verschillen in oppervlakte, de diameter varieert van 1 mm tot 5 mm. Per plank kan de aanwezigheid van spikkelvorming duidelijk verschillen. De zwarte puntjes worden veroorzaakt door de opname van bepaalde bodemstoffen door de boomwortels. Deze is afhankelijk van de oorspronkelijke groeiplaats van de boom. De spikkelvorming kan hierdoor per boom en per plank verschillen.

Stoppen van vloeren

De afwerking van een vloer waarbij alle onregelmatigheden (ontstaan door scheurvorming of dode noesten) gevuld worden met stopsel.

Trekgroef

Een uitsparing aan de onderkant van de vloerdelen. De uitsparing dient om het scheuren van het houden tegen te gaan. De groef maakt het vloerdeel flexibeler en biedt ruimte voor werking aan deze zijde.

Uv-lak

Een olie die sneller uithardt door de aanwezigheid van ultraviolet of door fabriek procedure.

Uv-olie

Een olie die sneller uithardt door de aanwezigheid van ultraviolet of door fabriek procedure.

Vellingkanten

Een afwerkingsprofiel voor de zijkant van een vloerdeel. De vellingen zijn verkrijgbaar in verschillende groottes, bijvoorbeeld 2,5 mm.

Verkleuring

Een verandering van de natuurlijke kleur van het hout die niet direct gekoppeld is aan verlies in sterkte. Dit kan onder meer het resultaat zijn van schimmels, verwering of contact met metalen.

Vezelverzadigingspunt

Een toestand van het hout waarbij de celwanden verzadigd zijn met water. Er is geen water aanwezig in de cel holten. Bij waarden beneden het vezelverzadiging punt krimpt het hout. Deze waarde ligt tussen 22% en 30%. Lucht droog hout heeft percentages van 15% tot 20%. Hierbij kan de eerste krimp dus reeds opgetreden zijn.

Vochtgehalte

Het vochtgehalte wordt ook wel MC genoemd. MC staat voor moisture content. Het vochtgehalte wordt gemeten door de massa van het in het hout aanwezige water uit te drukken in een percentage van de massa van het absoluut droge hout. Deze formule ziet er bijvoorbeeld als volgt uit: een stuk hout weegt 500%. Absoluut droog weegt ditzelfde stuk hout 450 kilo. De massa van het aanwezige water is dus 50 kilo. 50/450= 11,1 % Het vochtgehalte is dus 11,1%. Het absolute drooggewicht wordt berekend middels de droogstoofmethode.

Werking hout

Hout krimpt en zwelt door veranderingen in de omgeving. Een veranderde temperatuur of r.v. kan het evenwichtsvochtgehalte laten dalen dan wel stijgen, met als gevolg dat het hout zich hierop aanpast. Dit wordt werking genoemd.