Waar komt het hout voor de vloeren vandaan

Hout is in de meubel/ en timmerindustrie de belangrijkste grondstof. Het is daarom logisch om met dat onderwerp te beginnen. Iedereen weet dat hout een natuurproduct is. Het is ook bekend dat er veel verschillende houtsoorten zijn met verschillende eigenschappen. Maar je moet meer van hout weten om hout op de juiste manier te kunnen toepassen. Daarom zullen we in dit hoofdstuk dieper op het onderwerp ´hout´ ingaan.

 

De boom

Een boom kun je in vier hoofdonderdelen verdelen, namelijk:

  • De wortels;
  • De stam;
  • De takken;
  • De bladeren of naalden

De stam moet sterk en veerkrachtig zijn om de takken met de bladeren te dragen. Daarnaast worden door de stam voedings- en afvalstoffen getransporteerd. Van de stam worden de planken en balken van gezaagd.

 

De groei van vloerhout

Als je een boomstam dwars doorzaagt, kun je op het zaagvlak vaak allerlei kleurverschillen zien. Naast kleurverschillen kun je ook structuur verschillen zien. Als je de stam heel nauwkeurig gaat bekijken zal je ontdekken, dat deze uit een aantal verschillende lagen is opgebouwd. In de onderstaande tekeningen zijn de verschillende lagen van de stam aangegeven.

De stam groeit vanuit het cambium. Alleen de cellen van het cambium kunnen zich delen. Door deze delingen neemt het aantal cellen toe en wordt de stam dikker.

 

 

De groei van hout naar buiten toe

Aan de buitenkant van de cambiumring ontstaat basthout. Via het basthout bindt de dalende sapstroom (opgeloste groeisappen) plaats van de bladeren naar de cambiumring. Als de basthoutcellen ouder worden, gaan zij uiteindelijk dood en vormt zich een soort kurklaag.

De laag dode verkrukte cellen vormt de buitenste laag van de stam. Deze kurklaag wordt door de schors van de boom genoemd.

 

De groei naar binnen toe

Aan de binnenkant van de cambiumring ontstaat spinthout. Vanaf het cambium worden de cellen naar het hart toe steeds ouder. Tijdens het ouder worden van de cellen gaat de celwand zich verdikken. Tegelijk kunnen stoffen als kalk, kiezel, gom en hars in dicht groeiende cellen worden afgezet. Door de verdikking van de celwand blijft er weinig plaats over voor de celinhout. Uiteindelijk gaat de cel dood. Dit proces noemen we verkernen en zo ontstaat kernhout. Naast het cambium bevindt zich het spinthout. Meer naar het midden van de stam vinden we het kernhout. In het midden van de stam bevindt zich het hart of merg.

Kernhout is door de verdikte celwanden veel massiever en zwaarder dan spinthout. Bij een aantal boomsoorten is dit verschil zichtbaar. In de stam heeft het kernhout een andere kleur als het spinhout. Dit soort bomen noem je kernhoutbomen. Hierbij moet je denken aan houtsoorten als: grenen, lariks, iepen, mahonie en teak.

Er zijn ook boomsoorten die kernhout vormen met dezelfde kleur als het spinthout. Dit soort bomen worden rijphoutbomen genoemd. Hierbij  moet je denken aan houtsoorten als, vuren, dennen, beuken, essen, linden en peren.

Een stamdoorsnede zonder kleurverschil is overigens niet altijd rijphoutboom. Er zijn enkele boomsoorten die helemaal geen kernhout vormen. Dit soort bomen nomen we spinthoutbomen. Voorbeelden van spinthoutbomen zijn: berken, elzen, populieren en esdoorn.

 

De groei in de lengte

In de stam vormt het cambium een ring. Hoe hoger je de stam doorzaagt, hoe kleiner de ring wordt. Aan het puntje van de stam is de cambiumring nog maar een stop. Overal in het cambium vindt celdeling plaats, dus ook in het stipje in de top. Een boom groeit meer in de lengte dan in de breedte. Dit heeft twee oorzaken, namelijk:

  1. De cellen in de top delen zich vaker;
  2. De cellen strekken zich meer in de lengte

 

 

groeiringen in het hout voor de vloer

Bomen groeien niet altijd even hard. De groei wordt beïnvloed door de temperatuur, de hoeveelheid vocht en de bodemsamenstelling. Ook is de groeisnelheid van elke boom verschillend. Wat betreft groeisnelheid kan een onderscheid gemaakt worden tussen bomen met naalden (naaldhout) en bomen met bladeren (loofhout). De in Nederland gebruikte naaldhoutsoorten zijn in het algemeen zacht. De loofhoutsoorten zijn meestal harder en zwaarder. Naaldhout wordt daarom ook wel ‘zachthout’ genoemd en loofhout ‘hardhout’. Wij zullen in het vervolg spreken van naald- en loofhout.

In de winter ligt het groeiproces vrijwel helemaal stil. In de lente gaat de temperatuur omhoog en is er voldoende water. De boom zal gaan groeien. In deze periode lopen de bladeren uit en er vindt bloei plaats. Deze periode betekent kortom een periode van grote actie voor de boom, waarin veel sappen moeten worden getransporteerd.

Het naaldhout dat is de lente-periode groeit, bevat extra veel en extra grote cellen. Het is hierdoor lichter van kleur. Dit hout wordt voorjaarshout genoemd.

In de zomer is het meestal warm en droog. De naaldboom groeit in deze periode veel minder en snel. Dit is ook aan het hout te zien. Het zomerhout bevat minder cellen. Deze cellen zijn ook kleiner. De kleur van het zomerhout is daardoor veel donkerder. De groei begint dus in het voorjaar, vermindert in het najaar en staat in de winter geheel stil.

Het hout wat in een jaar gevormd wordt een groeiring of jaarring genoemd. In de groeiring is het licht voorjaars- en het donkere najaarshout herkenbaar. Het voorjaars- en najaarhout wordt ook wel vroeg- en laathout genoemd.

Niet alle groeiringen zijn even breed. In een jaar met een goed groeiklimaat zal de boom veel groeien. Dat levert dus een dikke groeiring. Een smalle groeiring betekent uiteraard een jaar met een slecht groeiklimaat.

De kleurverschillen in de groeiringen veroorzaken in gezaagd hout een vlamtekening. In de paragraaf over de zaagwijzen zullen we hier nog op terugkomen.

Aan het aantal groeiringen kun je de leeftijd van de boom aflezen. Doordat elk jaar een nieuwe ring ontstaat, is het aantal ringen gelijk aan de leeftijd van de boom.

We hebben tot nu toe gesproken over ringen in naaldhout, ook in loofhout kunnen ringen voorkomen. Loofhout is minder eenvoudig van opbouw dan naaldhout. De opgaande sapstroom wordt verzorgd door houtvaten in het spinthout. De neergaande sapstromen wordt verzorgd door het bastvaten in het basthout.

Houtvaten zorgen voor de sapstroom omhoog. Ze worden gevormd aan de binnenkant van de cambiumring. Een houtvat is een lang kanaal. Vooral bij geschaafd loofhout kun je de vaten goed zien. Op de kopse kant zie je kleine gaatjes, die poriën worden genoemd. Op het langshout zie je ze als kleine groefjes of streepjes.

 

 

Enkele soorten loofbomen vormen aan het begin van een seizoen veel meer vaten dan later in het seizoen. Op een dwarsdoorsnede van de stam zie je daardoor een ring van poriën in het voorjaarshout. Deze houtsoorten nomen we “ringporig”. Ringporige houtsoorten hebben vlamtekeningen, die door de poriën gevormd wordt. Denk bijvoorbeeld aan eiken, essen, iepen, mahonie of teak.

Vrijwel de meeste soorten loofbomen vormen gedurende het hele seizoen evenveel vaten. Op een dwars doorsnede van de stam zie je daardoor geen ringen van Poriën. De poriën liggen verspreid in het hout. Deze houtsoorten nomen we “verspreidporig”.

In de tropische gebieden komen geen winters voor. In deze gebieden speelt de temperatuur vrijwel geen rol. Belangrijker zijn daar de natte en droge seizoenen.

 

overige structuren in houten vloeren

Houtstralen zijn horizontake cellenbundels. Deze lopen dwars door de stam, vanuit het hart naar de buitenkant. Daarom worden ze ook wel hartstralen of mergstralen genoemd. De houtstralen maken het hout sterker. Zij geven de in de lengte lopende cellen een dwarsverband. Daarnaast kunnen zij reservestoffen opslaan. De houtstralen maken ook horizontale sap transport mogelijk.

In naaldhout zijn houtstralen met het blote oog niet zichtbaar, terwijl deze in enkele loofhoutsoorten soms heel duidelijk zichtbaar zijn. In beukenhout zijn het die bekende kleine donkere streepjes, die je kunt zien op het geschaafde langshout. In eikenhout zijn houtstralen heel opvallend als het eikenhout in de lengterichting wordt gesneden. In het geval van eiken spreken we dan de “spiegels”.

In sommige naaldhoutsoorten zijn harsgangen zichtbaar. Deze lopen in de lengterichting van de boom. Een harsgang is een langgerekte holle ruimte tussen de vellen. Een harsgang is gevuld met hars. Harsgangen worden ook “harskanalen” genoemd. Grote opeenhopingen van hars worden “harszakken” genoemd.

 

vloerhout

vloerhout