Een boom bestaat uit vier hoofdorganen:

  • Wortels
  • Stam
  • Takken
  • Bladeren

De stam groeit in de dikte vanuit het cambium. Naar buiten ontstaat basthout. Basthout verkrukt en vormt zo de schors. Naar binnen toe ontstaat spinthout. Spinthout verkent tot kernhout. In het midden van de stam vormt zich hart of merg, wat erg zwak is. De stam groeit in de lengte vanwege de celdeling in het cambium. De boom groeit harder in de lengte dan in de breedte, omdat de cellen in de top zich vaker delen en de cellen zich meer in de lengte strekken.

Kernhoutbomen hebben een duidelijk kleurverschil tussen kern- en spinthout. Rijphoutbomen hebben dit kleurverschil niet. Spinthoutbomen vormen geen kernhout.

De groeisnelheid wordt beïnvloed door de temperatuur en de vochtigheid. Goede omstandigheden zorgen voor een snelle groei van licht gekleurd voorjaarshout. Langzame groei levert donker gekleurd zomerhout. De verandering van het groeiklimaat per seizoen veroorzaakt in het hout groeiringen (jaarringen).

Naaldhout wordt ook zachthout genoemd. Loofhout wordt ook hardhout genoemd.

Loofhoutsoorten die alleen in het voorjaar grote vaten aanmaken noem je ringporig. Het hout heeft een vlamtekening. Loofhoutsoorten die verspreid door het jaar grote vaten aanmaken noem je verspreidporig. Het hout heeft geen vlamtekening van poriën.

Houtstralen of mergstralen maken horizontaal sap transport mogelijk. Harsgangen of harskanalen en harszakken zijn holle ruimtes tussen de cellen gevuld met hars.

Een stam kan op drie manieren worden opgezaagd:

  1. Kwartiers (haaks op de groeiringen);
  2. Dosse (onbekantrecht, schaaldelen, plaathout);
  3. Half- of valskwartiers

Afhankelijk van de manier van zagen kennen we delen met besloten hart, hartgekloofd of hartvrij hout voor parket.

van boom tot plank

van boom tot plank